Stromen van Kracht

Alleen op deze site!




Leven waterAanvankelijk heette de organisatie Stromen van Kracht voorheen  Levend Water, maar de naam werd een aantal maanden verder veranderd in Stromen van Kracht.

Lees hier

Karel en Elisabeth Hoekendijk            

Mijn Levensverhaal - Elisabeth Hoekendijk - La Riviere


Het huisje Windekind

Ik ben geboren in Rotterdam in 1910. Toen ik nog heel jong was, leerde mijn moeder me bidden.  Mijn moeder was echt een kind van de Heer. Op m’n tiende jaar stuurde ze me naar de zondagsschool van de inwendige zending.  Mijn jonge hart stond wijd open voor het evangelie. Ik ging ook naar de diensten van het Leger des Heils. Op een woensdagmiddag werd er weer zo’n samenkomst van het Leger des Heils gehouden en was er een uitnodiging voor wie de Heer wilde aannemen. Ik ging snel naar voren, omdat ik graag een kind van God wilde worden. Zo jong als ik was, voelde ik me zondig en onrein. Ik vroeg of de Heer me een nieuw hart wilde geven en of Jezus in mij wilde komen wonen. Met tranen in m’n ogen nam ik Hem aan. Ik werd overstroomd met blijdschap en wist nu echt dat ik voor eens en altijd een kind van God was.

Aan mijn moeder kon ik het vertellen, die was er blij mee, maar niet aan mijn vader, dat was een vrome man en ouderling in de Hervormde kerk. Tijdens catechisatie bij de dominee ging ik nadenken over de doop. Ik las: ‘Indien gij van ganse harte gelooft, is het geoorloofd.’ Maar, hoe kunnen baby’s van harte geloven? Daar klopte toch iets niet. Dus ik vroeg het aan mijn vader: ‘Vader, waar staat in de bijbel dat baby’s gedoopt moeten worden?’ Het was een oprechte vraag van een kind, maar ik had een gevoelige snaar geraakt en kreeg een boos antwoord: ‘Snotneus, wou jij het soms beter weten dan de vroede vaderen?’ Het was alsof ik een klap in m’n gezicht kreeg.  Daarmee was meteen mijn band met de kerkelijke traditie verbroken. Ik wist ook dat ik nooit meer iets op geestelijk gebied aan mijn vader zou vragen.

Na de lagere school stuurden mijn ouders me naar de Industrieschool in de Eendrachtstraat. Je kreeg er niet alleen middelbaar onderwijs, maar ook les in kostuumnaaien, fraaie handwerken en tekenen. Ik vond het heerlijk om me te bekwamen in al die dingen waarvoor ik aanleg had. Na drie jaar moest ik kiezen of ik verder wilde gaan met fraaie handwerken of tekenen. Tekenen was mijn grote hobby en ik wilde graag tekenlerares worden. Ik vroeg aan mijn tekenlerares hoe dat moest. Ze zei dat ik dan naar de Akademie voor Beeldende Kunsten moest. Ze raadde het me sterk aan, maar ik dacht: dat vinden mijn ouders vast niet goed. Mijn vader was erg wettisch en hij was vast bang dat ik een of andere artiest zou tegenkomen, die mijn belangstelling zou wekken.  Ik vroeg mijn tekenlarares of ze met m’n ouders wilde gaan praten. Het gevolg was dat ik naar de vooropleiding van de tekenakademie mocht, maar tegelijk de avondcursus voor het diploma fraaie handwerken zou volgen. Dan kon ik na een jaar mijn definitieve keus maken. Zo kwam ik als meisje van zestien op de Akademie voor Beeldende Kunsten, voor mij een boeiend, nieuw leven.  Ik vond het heerlijk al mijn tijd te mogen besteden aan mijn liefste hobby’s; tekenen, schilderen en ontwerpen. Ook de gesprekken met jongelui van diverse pluimage vond ik interessant.  Er waren al gauw jongens bij die nadere vriendschap met me zochten, maar ik had besloten dat ik nog veel te jong was voor een serieuze vriendschap.

Maar, er kwam een nieuwe student de klas binnenstappen. Hij was niet zomaar een aardige jongen, maar een interessante persoonlijkheid.  Die jongen stond enkele dagen later op me te wachten, toen ik uit de avondschool kwam. Ik was stomverbaasd. Eerst dacht ik dat het toeval was. Hij bracht me naar huis en vroeg of ik iets voelde voor een nadere kennismaking. Ik zei ‘nee’, omdat ik vond, dat ik daar te jong voor was. Ik was daarin heel resoluut en wilde geen gedoe met jongens. Maar toch was mijn hart onrustig. Deed ik daar wel goed aan, iemand zo bruut af te wijzen zonder er eerst met de Heer over te spreken? Ik ging naar mijn kamer, knielde neer en bad: ‘Heer, waarom heb ik onrust van binnen? Heb ik hier wel goed aan gedaan? Is dit misschien de man die U op mijn weg brengt om m’n levenspartner te worden?’ Ik ging die avond niet slapen, voordat ik duidelijk de stem van de Heer had gehoord. Gods stem kwam en zei: ‘Dit is de man die Ik voor jou heb bedoeld.’ Er ging een golf van vreugde en vrede door mijn hart.  Ongelofelijk, hij is het! Ik wist het nu zeker.
Karel kon die nacht niet slapen van verdriet.  Hij had een blauwtje gelopen, dat was hem nog nooit overkomen. Hoe was dat mogelijk!  Gelukkig had ik een vriendin die met Karel over mij ging praten en er ontstond een romance.

Ik hoorde nu dat Karel de zoon was van dominee CJ. Hoekendijk, predikant van de Vrije Evangelische Gemeente. Ik vertelde alles aan mijn moeder. Het duurde niet lang of ik ging op een zondagmiddag mee naar de Vrije Evangelische Gemeente. Ik vond het er heerlijk. Er was een levend geloof. Dominee Hoekendijk was een fijne spreker. Daarna ging ik op zondagmorgen met mijn ouders mee naar de Hervormde kerk en ‘s middags genoot ik van de diensten van de Viije Evangelische Gemeente.

Dominee Hoekendijk was altijd zendeling geweest in Indonesië. Toen Karel een baby was van enkele weken oud, was hij meegegaan naar Indonesië en tot z’n elfde jaar opgegroeid in een bergdorpje. Tot Karel’s grote verdriet werd hij, toen hij twaalf was, tijdens een verlof in Holland, achtergelaten in een zendingshuis.  Er heerste daar een keiharde, vroom getinte discipline. Hij had onpeilbare heimwee.  Zijn verzorgers begrepen hem niet en stuurden hem tegen zijn zin in naar de ambachtsschool.  Karel leed daaronder. Hij stotterde en was diep ongelukkig. Alleen het bouwkundig tekenen dat hij kreeg, intereseerde hem.  Op z’n negentiende kreeg hij plotseling toestemming om naar Indonesië te gaan. Op de boot hoorde hij toevallig een gesprek tussen een zendeling en een ongelovige man. Hij werd er zo door getroffen, dat hij zijn leven aan de Heer gaf.

In Indonesië ging de hemel voor hem open. Eindelijk was hij weer verenigd met z’n ouders en z’n zusjes. Er was een broer, Hans, bijgekomen. Later werd dat een bekende theoloog. Hij verheugde zich dat hij terug was in het heerlijke land van z’n jeugd.  Prompt was zijn stotteren over. Karel kon aan het werk als bouwkundig tekenaar en bouwde enkele huizen. Hij nam ook de leiding in de jongerengroep van z’n vader’s kerk in Bandung over. Toen werd moeder Hoekendijk ziek. De ziekte kon alleen in Holland genezen worden en zo reisde het hele gezin terug. De periode van Indonesië had Ir,dar één jaar geduurd.  Toen ik Karel beter leerde kennen, merkte ik al gauw dat er spanningen waren tussen hem en z’n vader. Ik zag dat hij z’n eigen schoolgeld betaalde van wat hij verdiende met teken- en schilderwerk. Het kwam tot een konflikt tussen hem en z’n vader en hij moest het huis uit.  Karel kon met het schilderen van lampekappen zijn studie niet meer betalen en moest ermee stoppen.

We zaten in de Jeugdbeweging die nogal revolutionaire kleding droeg en we waren lid van de Christelijke Geheelonthoudersbond.  Dat was allemaal te progressief voor zijn ouders. Hij was nu 22 jaar en helemaal op zichzelf aangewezen. Hij woonde op kamers. Mij vertelde hij niet van zijn zorgen en problemen. Maar ik merkte het toch. Alleen als we samen waren, waren we gelukkig. Ik moest mijn studie opgeven, tegen de zin van m’n moeder. Mijn grootmoeder die bij ons inwoonde, leed aan kanker en mijn moeder verzorgde haar dag en nacht. Ze was zelf altijd gezond en sterk geweest, maar nu werd ze zelf ziek. Mijn oudere zuster leerde voor onderwijzeres en was niet huishoudelijk ingesteld. Dus moest ik gaan helpen. Zo kwam er al gauw een eind aan die heerlijke tijd op de Akademie voor Beeldende Kunsten. Ik kon gelukkig nog wel de avondlessen op de Industrieschool blijven volgen en haalde m’n akte fraaie handwerken.  Die avondschool was een mooie gelegenheid voor Karel om me te ontmoeten.  Twee avonden per week haalde hij me af van de les en liepen we samen naar huis. Zo leerden we elkaar steeds beter kennen.

Tijdens een vakantie bij een bevriende familie in Kampen gebeurde er iets bijzonders. Deze fijne, gelovige mensen luisterden naar de verhalen van Karel en op een avond kwam naar voren dat hij wist dat God hem geroepen had om het evangelie te verkondigen. Deze vrienden zeiden heel ernstig: ‘Maar daar mag je niet zomaar overheen leven.’ Karel had er wel eens met z’n vader over gepraat, maar die wilde er niets van horen. Ik vond dit heel belangrijk en stelde voor de Heer om een duidelijk antwoord te vragen. We trokken de weilanden in en baden net zo lang tot er een heerlijke zekerheid kwam, dat Karel geroepen was in de dienst van God. Ikzelf ontving die avond een machtige doorstroming van de heilige Geest.  Ik wist niet dat er zoiets bestond, want van Pinksteren had ik nog nooit gehoord, maar vanaf dat moment heb ik er nooit aan getwijfeld dat God Karel geroepen had, hoewel zijn leven er later heel anders uit ging zien.

Ik moest wachten tot Karel acht en veertig was, voordat dit alles in vervulling kon gaan.  Karel schreef allerlei bijbelscholen aan, maar nergens werd hij als leerling aangenomen. We gaven het op en Karel probeerde werk te vinden met tekenen en schilderen. Eindelijk vond hij een goede baan als tekenaar bij uitgeverij Samson in Alphen aan de Rijn. Ik was inmiddels twintig jaar geworden. We hadden vier jaar verkering gehad. Nu konden we plannen maken om te trouwen. Gelukkig was de relatie met z’n vader zo verbeterd dat hij ons huwelijk wilde inzegenen.
We vonden een leuk, romantisch huisje aan de oever van de Kromme Aar buiten Alphen aan de Rijn. We noemden dat kleine boerenhuisje Windekind. Het water kwam uit de pomp en ik kookte op een primus. Alles was vreselijk eenvoudig, maar we waren de gelukkigste mensen van de wereld. We hadden allerlei vrienden uit de jeugdbeweging die bij ons langs kwamen om te discussiëren. Soms hield Karel een toespraakje voor de groep, want dat had hij in Indonesië ook gedaan. Al spoedig kondigde zich de eerste baby aan en werd Lioba geboren. Er kwamen nog twee kinderen, Frans en Els en we waren erg gelukkig.

Tante Bets

Karel veranderde van baan en ging werken voor een uitgever in Baarn en gedeeltelijk free lance. We verhuisden naar Baarn. Daar werd Ben geboren. Ook met deze jongste spruit waren we allemaal erg gelukkig. Ons geestelijk leven was intussen wat verflauwd. Er was geen kerk of groep waar we ons thuis voelden en al gauw brachten we de zondagen door met fietsen in de bossen. Geruisloos kwam de vijand ons gezin binnen. De harmonie en vrede verdwenen. De liefde verkilde en er was geen eensgezindheid meer. Ruzie en onbegrip waren onze dagelijkse kost. Ons huwelijk dreigde te stranden. Karel leefde zich uit in z’n artistieke wereld en ik zat thuis met vier kleine kinderen en veel financiële zorgen. Soms was de toestand zo moeilijk dat ik niet meer verder kon. Dan praatten we weer, vroegen elkaar om vergeving en brachten onze ellende bij de Heer, maar het duurde meestal niet lang of de droevige toestand kwam terug
.
Bij het zoeken naar een gemeente, was ik in de Vrijzinnige kerk terecht gekomen. Men leerde er dat de bijbel niet Gods woord is, maar dat Gods woord in de bijbel is. Ik dacht, als dat zo is, dan moet ieder zelf maar uitmaken wat echt van God is en wat niet; dan zinkt alle grond weg onder je voeten. Ik hield in elk geval de vier evangeliën vast. Dat was stellig Gods woord, waarop ik kon vertrouwen. Ik dobberde verder op de golven van twijfel.  Toen zond God op een wonderbare wijze een vrouw naar mij toe, die grote invloed op mijn leven zou krijgen. We hadden uit de tijd dat we in Alphen aan de Rijn woonden, vrienden overgehouden. Eén van hen was een fijne christenvrouw die een zoon had die heel graag tekenaar wilde worden. De jongen had talent, maar ploeterde in een baan zonder kans zich verder te ontwikkelen. Karel zag wat in hem en het lukte een baan voor hem te vinden als tweede tekenaar bij dezelfde uitgever waarvoor hij werkte. Deze jongen woonde met z’n moeder op een woonboot. Toen hij die baan kreeg, besloten ze om de boot naar Baarn te laten slepen. Zo kwam op een dag de woonboot de Eem, even buiten Baarn, opvaren.  De moeder werd al gauw de ‘tante Bets’ van onze familie. Tante Bets was een vrouw die grote liefde had voor de bijbel. Ik was zo blij dat God haar naar me toegebracht had. Eindelijk iemand die de bijbel helemaal geloofde.
Onder haar invloed verdween mijn twijfel als sneeuw voor de zon. De heilige Geest overtuigde me weer dat de bijbel Gods woord is waarop je volkomen kunt vertrouwen.  Tante Bets leerde me de bijbel met de bijbel zelf te vergelijken. We kwamen samen op haar woonboot en onderzochten hoe Gods woord letterlijk in vervulling gaat. Met de komst van Jezus bijvoorbeeld, werden allerlei profetieën letterlijk vervuld. We gingen uitpluizen welke profetische woorden nu nog niet vervuld zijn.  Bij de tweede komst van Jezus zal alles ook letterlijk vervuld worden. Ik had altijd gehoord dat je de dingen geestelijk moest opvatten.  Bijvoorbeeld, dat als er Israël staat, je moet lezen: de gemeente of de kerk. Als er sprake is van het beloofde land, dan wordt de hemel bedoeld. Maar tante Bets leerde me God te vertrouwen op zijn woord.

God zegt wat Hij bedoelt en Hij meent wat Hij zegt. Je mag overal een geestelijke les uithalen, maar wat ons zo boeide, was juist die letterlijke vervulling van de schrift.
In die tijd, zo vlak voor de oorlog, was de gedachte dat de Joden terug zouden gaan naar hun land, ondenkbaar. De weinigen die daarin geloofden, zoals bijvoorbeeld Johan de Heer en mijn schoonvader Ds. c.J. Hoekendijk, werden fel bestreden. Men was algemeen van mening dat de kerk in de plaats van Israël was gekomen. Men had de gewoonte om het eerste deel van een profetie letterlijk te nemen en een ander gedeelte, wat nog niet vervuld was, geestelijk. Tante Bets en ik ontdekten dat de tijd van de gemeente, deze tijd, verborgen was voor de profeten van het Oude Testament.  Men zag de eerste komst van Jezus in zijn tweede komst als één geheel. Ik ging teksten verzamelen over dit onderwerp: de onderbreking van Gods plan.
Het werd me steeds meer duidelijk, dat we op het spoor zaten van iets bijzonders. We lazen bijvoorbeeld in Zacharia 9 over de intocht van Jezus in Jeruzalem. Letterlijk is dit woord uitgekomen, volgens Mattheüs 21:4,5. Maar de ‘vredevolle heerschappij’, die Zacharia in vers 10 voorspelt, moet nog komen. Jezus reed Jeruzalem binnen, nederig en rijdend op een ezelinnejong, precies zoals voorspeld is. Maar de rest van de profetie zal even letterlijk uitkomen.  Hij zal’ de wagens uit Efraïm en de paarden uit Jeruzalem teniet doen ... Hij zal de volken vrede verkondigen en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee ... ‘ Zo bestudeerden we Daniël en alle profetieën over de eindtijd. We ontdekten dat de wederkomst van de Heer ná de grote verdrukking komt en dat wij, de gemeente, mét Israël door die verdrukking heen moeten. Niemand onderwees ons; het was alleen de heilige Geest door Gods woord.

In de oorlog lag de woonboot van tante Bets in het schootsveld van de Duitse kanonnen van de Eemlinie. De boot werd tot zinken gebracht en tante Bets kreeg een huisje van de gemeente.  We overleefden de oorlog. Soms vlogen de granaten over ons huis, maar ze sloegen nooit bij ons in. Dan zaten we in de kelder te wachten tot het voorbij was. Vader ging op een fiets met houten banden eten halen bij de boeren. Eenmaal fietste hij tot aan de IJssel.  Met een roeiboot werd hij over de rivier gezet.
Hij kocht eten bij de boeren en keerde terug.  Onderweg kreeg hij soep bij de California-fabriek in Harderwijk. Vader maakte ook schilderijtjes van vissers in Spakenburg in ruil voor paling. Het was een moeilijke tijd, maar we waren samen en kwamen er goed door.

Na de oorlog, in 1948, werd de staat Israël geboren en sloeg dat kleine landje de aanvallen af van alle machtige vijanden rondom. Wie had dat ooit voor mogelijk gehouden! Alleen de machtige hand van de God van Israël kon zoiets doen. We waren vol verwondering dat dit zomaar gebeurde. Maar het was heel vreemd; niet iedereen was blij met de staat Israël.  Velen zagen Gods hand er helemaal niet in. Later begreep ik dat deze staat Israël niet paste in hun theologie. Hun toekomstverwachting was dat eerst de gemeente van de aarde weggenomen wordt en God pas daarna de draad met Israël weer opneemt. Of, de J oden moesten zich eerst maar eens bekeren en dan pas zou God hen door een wonder het land teruggeven.
Ikzelf wist ook niets anders dan die bedelingen-leer. De bijbel werd in plakjes gesneden: dát was voor Israël, dát was voor later, wonderen en genezingen waren beslist niet voor nu, enz. Voor ons bleven alleen een paar van Paulus’ brieven over. Het leek allemaal mooi, maar waarom was er zo’n dorheid in m’n hart als ik hier mee bezig was? Ik las in 1 Corinthiërs 3:6: ‘Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.’ Ik merkte dat wanneer je de schrift naar de letter bestudeert, zonder de leiding van de heilige Geest, er iets dood gaat van binnen.

In m’n gezin ging het intussen niet goed.  Daardoor begon ik nog vuriger te verlangen naar de kracht van de heilige Geest. Ik bad: ‘Heer, er moet méér zijn, dan dit leven van vallen en opstaan, strijd en ziekte. Het is niet uw bedoeling dat uw kind zo leeft.’ Tussen mijn man en mij lag een muur van onbegrip, liefdeloosheid, zonde en verdriet. Soms probeerden we de leegte wa t op te vullen met’ gezellige’ avonden, samen met vrienden. We dronken, luisterden naar muziek en praatten wat. Het heette ‘gezellig’, maar in werkelijkheid was het alleen maar leegte en duisternis.

God grijpt in

Van 1948 tot 1951 ging vader naar Indonesië als hoofd visuele produktie van de Regeringsvoorlichtingsdienst.  We stonden met z’n allen bij de loods van de Holland Amerika Lijn in Amsterdam, toen de Oranje zich langzaam losmaakte van de kade. Er werden papieren slingers vanaf het hoge, witte schip naar beneden gegooid en iedereen zwaaide naar elkaar. De bedoeling was dat wij allen naar Indonesië zouden gaan, maar alleen Els en Frans gingen er een korte tijd naar toe. Toen kondigde de regerings overdracht zich aan en kwamen vader en de twee kinderen terug naar Holland.  Ik begon te bidden om de heilige Geest en kwam in 1952 met mensen van de Pinkstergemeente in Hilversum in aanraking. Zij waren vervuld met de heilige Geest en spraken in tongen. In hun diensten was leven en blijdschap.  Ik ging er op m’n brommer, een Solex, naar toe. Vaak ging ik naar voren en werd er voor me gebeden met handoplegging, maar ik ontving die doop nog niet. Later begreep ik, dat er een totaal verkeerde verwachting bij mij was gewekt.

Door de verhalen van de zusters in die gemeente over wat er allemaal met hen gebeurde toen ze gedoopt werden met de heilige Geest, dacht ik dat de Geest je persoonlijkheid helemaal uit zou schakelen en dat dan de heilige Geest door jou heen in tongen zou gaan spreken. Maar het verlangen naar de geestesdoop werd intussen steeds sterker.  Ik besloot de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren te vasten en te bidden. Door m’n zoeken in de bijbel had ik al begrepen dat de volheid van de heilige Geest heerlijker was dan wat ik tot nu toe gezien had. Zonder dat ik het zelf wist, waren er ook anderen die zoekend waren. Een familie in Zeist had gehoord van een prediker in Canada, B.C. Leonard, die bijbelcursussen gaf over de negen gaven van de Geest. Hoe je die kon ontvangen en ze kon laten funktioneren onder leiding van de heilige Geest. Ze hadden die broeder uitgenodigd om naar Holland te komen. Hij kwam en gaf bijbelstudie in een gewoon woonhuis in Zeist.  Een vriendin van mij was daarbij aanwezig en wist hoe ik aan het zoeken was. Enthousiast vertelde ze me: ‘Er worden mensen gedoopt in de heilige Geest en er gebeuren wonderen.  Kom zo snel mogelijk mee.’
De volgende dag ging ik mee naar Zeist en was een van de eersten die naar voren ging om Gods volheid te ontvangen.

Broeder Leonard legde heel duidelijk uit, dat de bijbel zegt: op de Pinksterdag begonnen zij in onbekende talen te spreken. Zij moesten zélf spreken en niet langer wachten. Ik moest dat even verwerken. Ik voelde dat ik een stap moest doen in het ongewisse. Eerst durfde ik niet, maar diezelfde avond voordat ik thuis kwam, heb ik de Heer geloofd en geprezen in nieuwe tongen. Ik stroomde over van liefde voor Hem en voor de hele wereld. Onbegrensde blijdschap vervulde mijn hart.
Natuurlijk begreep mijn gezin niets van dit alles. Ze bespotten en plaagden mij, maar niemand kon mijn blijdschap roven. Ik had de zekerheid in mijn hart, dat mijn man en de kinderen op Gods tijd dezelfde volheid zouden ontvangen. Ik kon alleen maar bidden en de heilige Geest zou het in hun hart uitwerken, hoe onmogelijk dat toen ook leek. Ons huwelijk was totaal op de klippen gelopen. De liefde was ver te zoeken.

Onderling zaten we vol met kritiek en onbegrip. Altijd was er tekort aan geld. We maakten schulden. Het was een doffe ellende. Lichamelijk was ik er ook slecht aan toe. Ik was nooit bijzonder sterk geweest, had vaak bloedarmoede, en leed aan een keelontsteking die maar niet wilde genezen.  Ik ontmoette mensen uit Zweden die een opwekking hadden meegemaakt. Ze vertelden van genezingswonderen die zij zelf gezien hadden, verlamden die opstonden uit hun rol stoel, blinden die gingen zien en allerlei wonderen van genezing die volgden op de prediking van het volle evangelie.
Zou de Heer in deze tijd ook nog zieken genezen? Ik begon weer hoop te krijgen en geloof dat de Heer inderdaad nog dezelfde is. Voor het eerst kwam er ook een evangelist naar Holland, Lam Jeveretnam.

Hij bad ook voor genezing en de Heer deed wonderen. Maar voordat ik kans zag naar zijn samenkomst te gaan, hadden vrome tegenstanders hem door de politie laten oppakken en werd hij geboeid het land uitgezet. Hoe was dat mogelijk? Toch waren veel christenen hierdoor wakker geschud.  Ikzelf ging bidden voor mijn eigen genezing en voor het herstel van mijn huwelijk.
Ik kreeg de overtuiging dat God met ons tot zijn doel zou komen. Ik voelde me meteen al beter, maar de ware oorzaak van mijn ziekte was nog niet weg. Een half jaar later zou ik genezen worden door het gebed van ... mijn man. In de zomer van 1953 kreeg Karel plotseling een hartaanval. Hij kreeg het heel benauwd en dacht dat hij de avond niet meer zou halen. In z’n benauwdheid vroeg hij mij: ‘Welke dokter moet ik toch vragen?’ Onze huisarts was namelijk met vakantie. Ik zei: ‘Je weet wel in welke dokter ik geloof.’ Toen kwam de verlossende noodkreet: ‘Ja, ik wil door de Heer genezen worden.’ Ik belde snel een vriendin, waarvan ik wist dat ze vervuld was met de heilige Geest en geloof had om met zieken te bidden voor genezing. Ze kwam snel naar ons toe.

De Heer gaf haar een duidelijke boodschap voor Karel: ‘Ik heb je geroepen en je weet dat zeer wel. Als je alles aan Mij uitlevert, zal Ik je genezen en je stellen in mijn dienst. Vóór die dag verzette Karel zich fel tegen de boodschap over de heilige Geest. Misschien wist de tegenstander wel dat Karel een machtig instrument in Gods hand zou worden.  Maar de vijand kon niet langer standhouden.  Karel herkende de stem van de Heer en gaf zich over. Toen raakte God hem aan en genas hem. Niet lang daarna werd hij ook vervuld met de heilige Geest. Wat een licht en liefde stroomde ons huis binnen. Alle duisternis verdween.  De drank en sigaretten gingen het huis uit en bijbels kwamen ervoor in de plaats.  God raakte ook onze kinderen aan en de een na de ander kwam tot overgave en werd vervuld met de Geest.

Ze werden later in hun leven stuk voor stuk machtig gebruikt door de Heer. Ons huwelijk werd totaal vernieuwd en we waren overlopend van geluk. We waren met elkaar een nieuwe, wonderbare wereld binnengestapt. Karel begon ook aktief te worden in het gebruik van de gaven des Geestes.  Hij bad om een bewijs dat hij deze gaven werkelijk ontvangen had. Juist die dag bad ik of God me dezelfde avond volkomen wilde genezen als ik aan Karel zou vragen mij de handen op te leggen. Mijn keel was weer helemaal ontstoken en de vroegere zwakte kwam weer terug. Karel bad en de Heer toonde hem dat de oorzaak van mijn ziekte een kanker aan de uitgang van mijn maag was. Karel zag hoe tijdens zijn gebed de kanker verdween en ook de verkeerde stoffen mijn lichaam verlieten.  Het was wonderbaar. Diezelfde nacht werd ik gezond. Ik ben eigenlijk nooit meer ziek geweest.  De roeping die altijd op vaders leven had gerust, begon nu pas in vervulling te gaan.

Van Utrecht tot Paramaribo

We begonnen evangelisatie-samenkomsten te houden op zaterdagavond in Utrecht. Er zou vrijheid moeten zijn om in de diensten de gaven des Geestes te gebruiken zoals wij dat geleerd hadden. Vader vertelde aan iedereen over zijn genezing en verandering. Wildvreemde mensen in de trein waren diep onder de indruk van zijn verhaal. Zijn vrienden spoorden hem aan met om dat verhaal voor een hele zaal tegelijk te vertellen. Er werd een zaal in Utrecht gehuurd. God stuurde de mensen van heinde en verre. Elke zaterdagavond was het feest. Er kwamen mensen tot bekering en anderen werden vervuld met de heilige Geest. Het werd nu ook duidelijk dat God Karel een bijzondere gave had gegeven om het woord te prediken. Met zijn artistieke inslag maakte hij van elke preek een veelkleurig schilderij. Mensen spraken over hem als een ‘geestelijke Wim Kan.’ Soms gebruikte Karel attributen om zijn preek te illustreren: rode, zwarte en gouden bollen van hout die een mensenhart uitbeelden, of een zaklantaarn met allerlei vodden in plaats van batterijen. Ik ging de zang- en aanbiddingsdiensten leiden en heb dat de rest van mijn leven over de hele wereld naast Karel gedaan.

Op een van de avonden werd een grote, verlamde man in een rolstoel binnengebracht.  Later hoorden we dat hij al veertien jaar in die rolstoel had gezeten. Een nichtje van hem was in de samenkomst geweest en had gezien hoe God werkt. Zij vertelde enthousiaste verhalen aan haar verlamde oom, schipper Frits Waning, uit Deventer. ‘Oom’ Frits kreeg geloof dat de Heer ook hem zou genezen. Toen hij naar Utrecht vertrok, zei hij tegen z’n buren: ‘Je moet wel opblijven tot ik thuiskom, want je zult zien dat ik vanavond over dat lage hekje spring.’ Ze lachten wat medelijdend.  Ben, die toen dorpelwachter was, zette Frits op de eerste rij. Midden onder de preek begon Oom Frits te roepen: ‘Hoe lang duurt die preek nog. Kunt u niet vast gaan bidden.’ Toen het eindelijk zo ver was dat Karel met hem ging bidden, raakte de Heer hem aan en kwam hij langzaam overeind. Eerst wilde hij nog z’n stok grijpen, maar Karel pakte die weg en brak hem over over z’n knie kapot. Hij zei: ‘Loop, in de naam van Jezus!’ Hij begon te lopen, eerst nog voorzichtig en aarzelend, maar steeds steviger en sneller. De hele gemeente zong en juichte. Een jonge vrouw zat van ontroering te huilen, het was zijn nichtje dat hem al die jaren verpleegd had. Overgelukkig reden ze terug naar Deventer en inderdaad sprong hij die nacht over het hekje voor z’n tuin.

Oom Frits had een grote familie, verspreid over het hele land. Als een lopend vuurtje ging het verhaal van zijn wonderlijke genezing rond. Een familielid uit Amsterdam nodigde ons uit in hun huis een dienst te komen houden. Zo begon onze gemeente in Amsterdam, eerst in een overvol huis en later op de Vrijdagavond in de Lutherkapel. Daar kwam een hele groep tekenaars van een reklamebureau tot bekering en ook veel studenten.  Sommige mensen waren zo hongerig naar de zegen, dat ze elke vrijdagavond in Amsterdam naar de samenkomst gingen en zaterdagavond naar Utrecht liften om daar de dienst weer bij te wonen. In het gebouw van de C.s.B. aan de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht kwamen steeds meer mensen kijken, hele families kwamen tot bekering. Zo begonnen we overal in het land samenkomsten te houden, maar nooit op zondag, omdat we de mensen aanmoedigden in hun kerk te blijven. Maar er ontstond tegenstand. Mensen werden geweigerd bij het avondmaal, omdat ze naar diensten van de beweging ‘Stromen van Kracht’ gingen. Tijdens een konferentie op de Harskamp hielden we voor het eerst een doopdienst en daarmee kwamen we helemaal los van het idee dat we ons moesten aanpassen aan de kerk.
Voordat hij terugging naar Canada, droeg broeder Leonard ons op om de boodschap van de negen gaven des Geestes te gaan onderwijzen, en zo ontstond de veertiendaagse bijbelcursus die ik veertig jaar gegeven heb. Gods kracht werkte heerlijk en christenen werden toegerust. Veel zendelingen en werkers in Gods wijngaard werden in deze cursus klaargemaakt voor hun bediening. Wij werden al gauw Vader Karel en Moeder Bep genoemd.  We hadden ook ontelbare zonen en dochters.  Er kwamen uitnodigingen uit Duitsland en Zwitserland. Op een avond in Zwitserland, toen Karel erg moe was en vrienden voor hem baden, kreeg een zuster een visioen. Ze zag een grote menigte gekleurde mensen en kinderen die naar Karel kwamen luisteren. We wisten dat dit Suriname was.

Maar eerst kwam er een uitnodiging uit Zuid Afrika en we moesten daarom onze eerste reis per vliegtuig maken. We vertrokken vanuit het oude Schiphol met een propellervliegtuig.  Veel vrienden waren gekomen om afscheid van ons te nemen. God zegende onze bediening.  Op verschillende plaatsen gaven we de cursus over de gaven van de heilige Geest. In Zuid Afrika kwam er een uitnodiging uit Curaçao. We vlogen naar Curaçao en hadden veel zegen. Van daar uit ging Karel alleen naar Suriname om te zien of er een campagne gehouden kon worden. Hij maakte een moeilijke tijd door. Geen enkele kerk of zaal wilde men aan hem verhuren. Uiteindelijk vond hij een oude schouwburg die niet meer gebruikt werd. Zo huurde hij Thalia en dat werd de plaats waar God een opwekking gaf. We vroegen Frans en Yvonne over te komen om mee te helpen. De samenkomsten begonnen. Suriname was rijp voor een opwekking. De Surinamers namen Jezus aan als Heer en geloofden Hem eenvoudig voor genezing. De zaal puilde elke avond uit, terwijl honderden buiten voor de open ramen stonden te luisteren.  Vele blinden gingen zien, verlamden gingen lopen en melaatsen werden gereinigd. Tovenaars kwamen tot bekering en bevrijding. Elke avond kwamen massa’s mensen naar voren om hun leven aan de Heer te geven.  We huurden een zwembad en doopten honderden mensen in water. Maanden lang hielden we elke avond samenkomst en bleven de mensen toestromen. Dikwijls liet vader Karel de kinderen naar voren komen en dan zongen ze handenklappend en stralend van vreugde.
Het is begrijpelijk dat de satan een tegenoffensief zou beginnen. Die kwam van een onverwachte kant. Er waren dominees van de gevestigde kerken in Suriname die jaloers waren op de grote aantallen mensen die naar de samenkomsten in Thalia gingen. De dominee van de grootste kerk van Paramaribo behoorde tot de Vrijmetselaars. Hij vond het niet zo leuk dat zijn kerk steeds leger werd, terwijl onze samenkomsten massa’s mensen trokken.  Hij kreeg andere dominees en doktoren achter zich en gezamenlijk brachten ze de regering ertoe onze visa niet te verlengen. Wij moesten het land verlaten.

Deze dominee tekende hiermee zijn eigen doodvonnis. Hij had uitgezien naar een rustige levensavond in Suriname, maar werd ziek en moest met spoed voor een operatie naar Nederland. We zaten in hetzelfde vliegtuig.  Op Zanderij, het vliegveld, was een grote menigte verzameld om ons uit te wuiven. De mensen geloofden stellig dat God ons weer heel spoedig terug zou zenden. Dus ze zongen liederen over Jezus om hun verdriet te vergeten.  De dominee was doodsbang voor die menigte zingende mensen en liet zich begeleiden door de politie. Aangekomen op Schiphol trof hij dezelfde situatie aan. Weer een grote menigte blije, juichende mensen die ons kwam verwelkomen. Want de Surinamers hier hadden gehoord van de opwekking in hun thuisland.  Weer moest hij door een zingende menigte heen om bij de auto te komen die hem snel naar het ziekenhuis bracht. Hij is nooit meer terug geweest in Suriname.

Er was nog iemand die zijn eigen doodvonnis tekende door tegen God te strijden, de toenmalige minister-president. Hij zei: ‘Zo lang ik leef, komen de Hoekendijks niet meer terug in Suriname.’ Zijn moeder waarschuwde hem dringend niet tegen de Hoekendijks te strijden, omdat het Gods mensen waren. Zij was namelijk zelf in de samenkomsten bekeerd en wonderbaar genezen. Tien jaar later, toen er een nieuwe regering was gekomen, erkende die ze dat er een grote fout was gemaakt door ons het land uit te sturen. Wij waren een zegen geweest voor het Surinaamse volk. Ze stuurden ons een brief met het verzoek terug te komen.  Op de dag dat vader Karel weer in Suriname aankwam, zakte de vorige president weg in een coma en een dag later liep vader mee in zijn begrafenisstoet achter de baar aan ... Na tien jaar waren wij weer terug in Suriname en we organiseerden een week van samenkomsten in de drie gemeenten die door de opwekking waren ontstaan.
Toen wij het land moesten verlaten, waren Frans en Yvonne uitgeweken naar het buurland Brits Guyana. Ze bleven in de regio en konden terugkeren naar Suriname als het getij keerde. Door hun bediening kwam een heerlijke opwekking in Brits Guyana. De plaats waar zij hun campagne hielden bleek een broeinest te zijn van communisten. Verschillende van deze communistische leiders kwamen tot bekering en wie weet welk onheil het land hierdoor bespaard werd. Er gebeurden ook hier wonderen van genezing en honderden werden bekeerd en vervuld met de heilige Geest. Frans liet van tijd tot tijd de leiders van onze gemeenten in Suriname overkomen om hen te onderwijzen hoe ze het gezegende werk konden voortzetten. Zodoende bleef hij op de hoogte hoe de gemeenten in Suriname zich ontwikkelden.

Ben probeerde ook Suriname binnen te komen, maar moest met hetzelfde vliegtuig het land weer verlaten. Daarom vloog hij naar Frans Guyana waar hij een grote opwekking beleefde. Hij was de eerste die het evangelie bracht in Cayenne, de hoofdstad van deze voormalige strafkolonie. Toen de diensten in ‘Au Petit Balcon’, een oud, houten gebouw zo groot werden dat Ben ze alleen niet meer in de hand kon houden, telegrafeerde hij naar Holland om hulp. Twee broeders gaven hun baan op en vlogen naar Frans Guyana om een gemeente te stichten. Zo heeft God ons gebruikt voor de drie Guyana’s.
Vader en ik reisden naar Indonesië, India, Ceylon, Nieuw Zeeland, Japan en de Caribische eilanden en overal kwamen massa’ s mensen tot bekering en deed God wonderen.  Vooral in het Caribisch gebied mochten we van eiland tot eiland de opwekking bren gen. Toen wij in Trinidad woonden in een gehuurd huis, kreeg vader het in z’n hart om naar het eiland Sint Vincent te vliegen om poolshoogte te nemen. Hij nam z’n intrek in een hotel en wandelde door de straten van de hoofdstad Kingstown. Toen gaf de Heer hem een visioen. Hij zag een stroom van mensen lopen die allemaal een bepaalde kant uitgingen en nogal haast hadden.

Hij vroeg aan de Heer: ‘Wat betekent dit?’ En de Heer zei: ‘Dat zijn mensen die naar de samenkomst lopen, want er komt een opwekking.’ Vader wandelde verder en zag een groot sportveld met aan de ene kant een grote tribune, en de Heer zei: ‘Dit is de plaats.’ Vader ging naar de autoriteiten en vroeg of hij dat veld kon huren voor evangelisatiediensten. Ze keken hem vreemd aan en vroegen: ‘Zijn er dan geen kerken genoeg?  Daar is de Roomskatholieke kerk en daar de Presbyteriaanse en nog andere. We hebben hier geen evangelisatiecampagne nodig?’ Vader was echter zeker van zijn zaak. ‘Er gaat een grote opwekking komen,’ zei hij. Na lang praten kon hij dit stadion voor een maand huren. Hij vond ook een huis dat we konden huren voor de duur van de campagne.  Vader kwam enthousiast terug op Trinidad.
We braken op en arriveerden in Sint Vincent. Frans begon met enkele mannen een podium te bouwen. Vader schilderde een spandoek met grote letters: ‘Jesus Christ is the same, yesterday, today and forever’. Dat spandoek zouboven de tribune komen hangen. Er werd een piano gevonden, waarop Yvonne de zang kon begeleiden. We lieten pamfletten drukken en gingen ze overal uitdelen. Ik ging naar de markt om mensen uit te nodigen. Ik zei tegen iedereen: ‘Kom naar de meeting, iedereen is welkom.’ Toen zag ik een zielig vrouwtje zitten.  Ze hield haar hand omhoog om te bedelen en ik gaf haar een pamfletje. Naast haar stonden een paar krukken.

Ze keek me aan en zei: ‘Ik kan niet lopen.’ Ik zei: ‘Vraag of iemand je naar de meeting kan brengen, want de Heer wil je genezen.’ Zoiets had nog nooit iemand tegen haar gezegd. Ze was er ondersteboven van.
Op de eerste avond kwam dit vrouwtje vol verwachting naar het stadion. Er waren een paar honderd mensen. We leerden hen enkele eenvoudige koortjes. Vooral: ‘Jes us took my burdens and rolled them in the sea, never to remember anymore’ met de bijbehorende bewegingen, vonden ze prachtig. Vader bracht een heerlijke prediking over Jezus als Redder en Heelmeester. Velen kwamen naar voren om de Heer aan te nemen. Daarna nodigde hij de zieken uit. Het oude vrouwtje strompelde op haar krukken naar voren. Vader legde haar de handen op in de naam van Jezus en bad voor genezing. Hij pakte de krukken en legde die op haar schouder en zei: ‘Ga nu maar lopen, in de naam van Jezus!’ En daar liep ze met de krukken over haar schouder! Alles juichte en klapte voor de Heer.

Die avond kwam er ook een vader met een doofstom jongetje. Na het gebed kon hij voor de microfoon de eerste woordjes spreken! Het was wonderbaar. Als een lopend vuurtje gingen de verhalen over het eiland. De tweede avond waren er al een paar duizend mensen gekomen. Daarna tienduizend, toen veertienduizend.  Elke avond namen honderden Jezus aan als Verlosser en werden honderden genezen.  De kinderen zongen zo graag de koortjes van Jezus. Hun onderwijzers werden nieuwsgierig en ook zij kwamen tot bekering. We hielden een doopdienst. Twee lange rijen mensen in witte klederen liepen het water in naar Vader of Frans. Op die dag hebben we duizend mensen gedoopt.
Overal waar je kwam hoorde je mensen de lof en prijs van Jezus zingen. De politie vroeg: ‘Meneer Hoekendijk, wat heeft u met ons volk gedaan? Wij hebben niets meer te doen. De gevangenis is leeg. We gaan maar vissen.’ Een groepje taxi-chauffeurs zag vader langskomen en vertelden: ‘Wij stonden hier altijd met elkaar wat te praten en meestal niet zulke mooie moppen te tappen, maar nu spreken we over de heerlijke wonderen die God doet.’ Veel alcoholisten werden vrij. Het was een echte opwekking!

Dit herhaalde zich op het eiland Sint Lucia en ook op de Nederlandse Antillen hielden we gezegende diensten. Van eiland tot eiland gebruikte God ons om het opwekkingsvuur aan te steken. Telkens werden nieuwe kerken gesticht en lieten we Nederlandse predikers overkomen om de mensen te gaan verzorgen.  Zo werd de beweging Stromen van Kracht vooral een zendingsbeweging.
Karel werd 82 en predikte nog met kracht tot het laatste gedenkwaardige Pinksterweekend in 1987. Op de vrijdagavond vroeg Ben vader het avondmaal te openen in de grote tent van de Vierhouten-konferentie. Op de Pinksterzondag sprak hij in Rotterdam. Hij bracht een profetische boodschap over de mantel van Elia. ‘s Avonds kreeg hij een attaque en binnen enkele weken ging hij heen.


Elisabeth Hoekendijk - La Riviere - Uit het boek - Leven in de eindtijd

Advertentie

leven in de eindtijd