duif

Waarachtige
           Aanbidders

... de ure komt en is nu dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders. Joh. 4 : 23.


Geschreven door Jaap Adema home

De discipelen van Jezus waren in de bevoorrechte positie, dat ze elke dag in de gelegenheid waren Jezus van heel dichtbij mee te maken.
Op een goede dag vraagt één van hen: "Here, leer ons bidden, ... ". Lucas 11 : 1.
Hij zag de noodzaak van het bidden niet alleen, hij zag ook, dat bidden geleerd moet worden.
Steeds meer gelovigen hebben het gebedsleven verwaarloosd omdat ze geen resultaten, geen gebedsverhoring hebben ervaren. Dit, ondanks alle beloften in Gods Woord, dat Hij zal geven, wat wij vragen.

Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder die bidt, ontvangt, ... Matth. 7 : 7.
Hoe kan dat? Is God de Vader dan veranderd, handelt Hij naar willekeur, vandaag dit en morgen dat? Nee, zeker niet, bij Hem is geen zweem van ommekeer. Hij is geen God dat Hij liegen zou. Hij waakt over Zijn Woord om dat te doen!! Er is voldoende zekerheid om alle twijfel weg te doen uit ons leven.

De fout moet zeker niet bij onze Hemelse Vader gezocht worden, maar bij ons zelf. Als we willen leren wat bidden is en wat het in ons leven kan betekenen, is het van belang dat we eerst gaan zien, wat het niet is. Bidden is geen eindeloos herhalen van een verlanglijstje. Het gebed mag nooit tot doel hebben God te overtuigen van de dingen waaraan wij soms menen behoefte te hebben.
Bidden mag nooit een reden zijn om het "vrome vlees" te bevredigen. Bidden lost onkunde van Gods Woord en zijn plan niet op. Bidden helpt ons ook niet van geestelijke luiheid en traagheid af.

Er zijn veel dingen waarvoor vaak gebeden wordt die we zélf moeten doen, of soms ook zelf moeten laten. "Bewaar ons voor de zonde en het kwade" , is een veel voorkomend gebed.
Goed bedoeld, maar de Bijbel zegt:
"Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, ... ". 1 Petr. 2 : 1 en 2.
Bidden is geen lijst met mededelingen en mag nimmer sleur, gewoonte, routine of traditie worden. Een bidder is geen bedelaar.

Ons gebed en ons geloof zullen met elkaar in over eenstemming moeten zijn. Bidden is dialoog en geen monoloog; het is spreken én luisteren.
Gebed is de kern van de relatie met onze Hemelse Vader. Gebed is de onmisbare sleutel, welke de Heer ons gaf om Hem beter te leren kennen en ook de sleutel om te groeien van het kindschap naar het zoonschap; gebed is de weg der heiliging en ook de weg naar de bronnen van Zijn Heerlijkheid, Zijn kracht, Zijn liefde en Zijn Vaderhart.

De diepere grondslag van het gebed is helaas zo slecht begrepen. Daardoor zijn er steeds meer tegenstrijdigheden en onjuiste denkbeelden ontstaan. Deze vraag zou gesteld kunnen worden:
"Wat is in feite de noodzaak en de drijfveer van het gebed? De Heer weet toch wat wij nodig hebben. Hij is met al onze zorgen en problemen bekend. Hij weet van de grote nood waarin de wereld verkeert. Hij weet alles wat er in de nabije- en wat er in de verretoekomst staat te gebeuren.
Hij is Almachtig en Alwetend; Hij kan toch alles doen of laten, zoals Hij dat Zelf wenst?
Daar heeft Hij toch het (vaak twijfelachtige) gebed van een mens niet bij nodig ?
Inderdaad zou God kunnen handelen buiten de mens om. Hij beschikt over voldoende legermachten van engelen die Hem ten dienste staan.

Gelukkig, Gods plan is anders.
De mens staat centraal in Zijn denken, in Zijn handelen, in Zijn plannen en in Zijn liefde. Hoeveel mensen er ook mogen zijn, elk mens is in Gods Koninkrijk uniek.
God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis; in tegenstelling met al het andere wat door God geschapen werd.
God betrekt de mens bij alles wat Hij doet en nog van plan is te doen. Hij geeft aanwijzingen en instrukties; Hij geeft goede raad en wijsheid aan hen, die het van Hem verwachten.
Aan een ieder die in geloof tot Hem komt geeft Hij Zijn volmacht, Zijn kracht, Zijn Geest en een funktie, om Zijn Koninkrijk op aarde in stand te houden en uit te breiden.
Daarvoor is kommunikatie en overleg nodig.

Dát is gebed, niets meer en niets minder.
Het is het innemen van de vertrouwens-positie welke Hij omgaf, of nog voor ons bestemd heeft. Onze Hemelse Vader ging zo ver in Zijn liefde, dat Hij Zijn Geest aan ons gegeven heeft, opdat we daardoor in alle waarheid geleid zouden worden. Door Zijn Heilige Geest, welke Hij ons als onderpand op onze erfenis gaf, zijn we Zijn natuur deelachtig geworden. 2 Petr. 1 : 4.
Op aarde is de gelovige een vreemdeling en een bijwoner. Hij hoort hier niet thuis. Hij is een burger van het Koninkrijk der hemelen.
Op aarde is hij slechts een gezant, een afgevaardigde en een boodschapper van het goede en blijde nieuws. Het is een tijd van genade ter voorbereiding op het leven in Zijn eeuwige heerlijkheid. Het gebed is Gods middel om de toekomstige erfgenaam te leren en te onderwijzen betreffende het persoonlijk aspekt in de relatie met Hem.
Al deze gelovigen bij elkaar, vormen tesamen de Gemeente, dat is het lichaam van Christus.
We zijn niet als een organisatie aan elkaar en aan Hem verbonden, maar de Gemeente is organisch als het lichaam met het Hoofd, Jezus, verbonden.

De Gemeente is het kanaal dat God de Vader gebruikt om Zijn doelstelling op aarde te verwezenlijken. Alles wat daarvoor nodig is, gaf Hij in handen van Zijn discipelen, de Gemeente.
Gelijk (op dezelfde wijze) de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. Joh. 20 : 21.
Als we in gebed zijn, dat wil dus zeggen: spreken met onze Hemelse Vader, zullen we ons in de eerste plaats bewust moeten zijn van Zijn aanwezigheid. We zeggen niet zomaar iets. We spreken met de Koning der Koningen, de Schepper van hemel en aarde. Uiteraard dus met eerbied en ontzag.
Zoals er in de natuur een toename is van millieu vervuiling, is er ook in het gebedsleven, gebeds vervuiling ontstaan.

Er zijn voorwaarden voor gebedsverhoring:
Jac. 1 : 6 zegt, dat we in geen enkel opzicht mogen twijfelen.
Jac. 4 : 3 zegt, dat we niet mogen bidden, om (het verkregene) in hartstochten door te brengen. Matth. 6 : 14 zegt, dat we mogen vragen om vergeving, maar dat wij ook elkaar moeten vergeven.
Ps. 24 : 3 Wie mag de berg des Heren beklimmen? wie mag staan in Zijn heilige stede ?
Het antwoord (:4) Die rein is van handen en zuiver van hart,

Het hele werkplan op aarde heeft God de Vader aan de Gemeente overgedragen.
Eerst droeg God Zijn macht en gezag in de hemel over aan Michael en Zijn engelen; daarna op aarde aan Jezus en Zijn discipelen.
Al naar gelang de Gemeente goed of minder goed funktioneert, krijgt "de wereld" meer of minder verlangen, ook deel te hebben aan het leven binnen de Gemeente. De uitstraling van het gemeente leven bereikt de wereld, zowel in positieve- als in negatieve- zin.
Het gebed is in de eerste plaats een persoonlijke zaak. Gebed vereist liefde en toewijding.
Dat kost tijd en soms ook offers.

Gebed is onvervangbaar. De inhoud van het gebed bepaalt de relatie met God de Vader. Deze relatie kan oppervlakkig, maar kan ook intiem zijn en hangt af van de mate waarin we Hem hebben leren kennen.
Jezus zegt: "Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit de deur en bid tot uw Vader in het verborgene ... ". Matth. 6 : 6.
In Hand. 12 : 12 lezen we ook van een huissamenkomst "waar velen vergaderd waren in gebed". Bidden kan bij elke gelegenheid en onder alle omstandigheden. Bidden is niet aan tijd of plaats gebonden. God is overal.
Elk gebed, geleid en geïnspireerd door de Heilige Geest, wordt verhoord, daarvan kunnen we zeker zijn.
Naar de mate waarin we onze Hemelse Vader leren kennen, zal ons bidden overgaan in dankzegging en lofprijzing.
De gebeden der heiligen zijn van byzondere waarde in de hemel: " .. gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen". Op. 5 : 8. "Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de Gemeente ... ". Ef. 3 : 20 en 21.